Een ronddraaiende regenboog-eenhoorn. Geplakt op een kinderrolstoel, met daarin een meisje met blond haar. Haar moeder duwt de rolstoel vooruit terwijl ze iets zegt tegen haar dochter. ‘Jij hebt maar één been!’ hoor ik mezelf denken, nog net niet hardop tegen het meisje.
De trein naar Den Haag rijdt binnen op station Heerenveen, ik sta op uit het wachthokje en stap de trein in. Ik kies een vierzits, alle ruimte, rijrichting vooruit en sla mijn boek open. ‘Kom mam, we kunnen hier zitten.’ Hetzelfde blonde meisje komt hinkend op één been de trap af, steunt op de stoelleuningen, en kies de stoel vlak voor mij uit.
Wat gezellig, denk ik. Haar moeder stribbelt nog een beetje tegen door te wijzen naar een rij bij de deur, waar ze met z’n tweeën kunnen zitten, maar haar dochter is al zelfverzekerd tegenover mij gaan zitten. Ze kijkt me aan, neemt me snel in haar op en zegt ‘mooie pet’.
Haar spontane opmerking verrast me. ‘Dankjewel’, reageer ik, hopelijk met genoeg enthousiaste verbazing. Ik kijk weer naar mijn boek en volg tegelijkertijd hoe het meisje en haar moeder zich installeren. Ze gaat een puzzel maken in haar Pokémonboek, haar moeder haalt een haakwerkje tevoorschijn. Ze praten over papa, die waarschijnlijk op hetzelfde moment in Utrecht aan zal komen als zij.
Tatoeage
Natuurlijk ben ik nieuwsgierig naar het meisje met één been. Hoe raak je op die leeftijd een been kwijt? Ze laat zich er totaal niet door beperken, maakt staand aan het treintafeltje haar puzzels, laat zich dan weer in de stoel zakken.
Dan kijkt ze weer naar me. ‘Mooie tatoeage’, zegt ze dit keer, over de molecuul op mijn onderarm. ‘Het is chocola en koffie’, antwoord ik. Ze lijkt niet erg onder de indruk, en vraagt ook niet door. ‘Eet je wel eens chocola? Heel erg verslavend’, zeg ik. Een korte ‘ja’ volgt. ‘Heb jij tatoeages?’ Wel gehad, deze Pokémon, wijst ze aan in haar boek. ‘Plakplaatjes kan ik niet nemen, ik ben allergisch voor pleisters.’
Ik zie een ingang. ‘Dat is lastig. Wat doe je dan als je een wondje hebt?’ Dan laat ze het ontsmetten en drogen aan de lucht, zegt ze vlotjes. ‘Je hebt ook een wondje op je elleboog, zie ik.’ Dat komt door het fietsen, ze remde te hard.
Groeien
Oké, daar gaan we. ‘En ik zie dat je ook maar één been hebt?’ Het is niet echt een vraag, maar meer dan dat heeft mijn gesprekspartner niet nodig. ‘Nee hoor, hier is de andere.’ En ze grijpt naar de tas voor de voeten van haar moeder, waar onder een handdoek een nep-been tevoorschijn komt, met aan de voet de rechterschoen van de versie die zij aan haar linkervoet heeft. We lachen naar elkaar.
Ze legt uit dat ze het even fijner vond zonder. Als ze dat been te lang draagt gaat het een beetje wrijven. En zonder been lijkt ze zich prima te kunnen manoeuvreren. Haar openheid maakt dat ik haar veel meer vragen durf te stellen. Ik bedenk me dat ze nog groeit, heeft ze dan niet regelmatig een nieuw been nodig? Ja, dat klopt, ze krijgt binnenkort weer een nieuwe. En wat gebeurt er met de oude benen? Die gaan naar Afrika voor een tweede leven.
Ook al heeft ze maar één eigen been, ze doet van alles. Fietsen, dansen. Haar moeder vult af en toe aan, dat ze het wel spannend vond, maar heel blij is om te zien dat ze eigenlijk alles kan.
‘Hoe is dat dan gebeurd?’ Een ongeluk, een infectie, ik verwacht van alles. Ze blijkt geboren te zijn met een heel kort been, dat uiteindelijk werd afgezet. Ze weet niet beter en laat zelfs jongere kinderen met een ontbrekend been zien dat ze nog steeds heel veel wél kan.
Tot ziens
Ik ben onder de indruk van haar openheid en eerlijkheid. De blik van haar moeder verraadt dat ze soms wel erg open is, maar ik beloof stilletjes dat ik dat allemaal niet met de wereld zal delen.
We kletsen nog even door, ze vertelt waar ze naartoe reizen, waar ze woont, en dat haar vader waarschijnlijk dezelfde trein in Utrecht zal nemen als zij! Ze kan met haar hoofd niet bij dat toeval. Later bellen ze elkaar. Of het echt gaat lukken, is nog niet zeker. Ons gesprek valt stil, van mij wil ze niet zoveel weten, of ze durft het niet te vragen.
‘Tot ziens’ zegt mijn reisgenoot als ik opsta om uit te stappen. ‘Wie weet!’ zeg ik, ‘en een goeie reis gewenst.’ Op het balkon zie ik de eenhoorn-roelstoel weer. Dan bedenk ik me nog iets. Wat een leuk ritje, en een leuk gesprek, had ik moeten zeggen. Ik zal het niet snel vergeten.